Het levenslot wilde dat Doruske al vroeg wees werd en als kleine jongen in den vreemde een tweede huis moest zien te vinden. Aam werd gelegenheid gegeven de lagere school te volgen en zijn portie te schrapen uit de doorgaans karig gevulde Brabantse pot mits in de vrije tijd pootaan werd gewerkt in de stallen en op het land alsmede voldoende vroomheid werd betoond om uitzicht te geven op een toekomstig priesterschap.
Door hem werd al het mogelijke gedaan om zich zo vaak mogelijk te onttrekken aan de tucht van de Essche schooltoestand die dagen, om voor en na het eten aan tafel wat extraatjes uit schouw en kelder te gappen, om bij het werken wel een wat lui zweet te produceren om zich tussen elke koorbeurt voor "leste mis" en "lof" voldoende duvels te vergalopperen, dat aan een plaats op het seminarie wel niet lang meer gedacht zal zijn. Wat niet wegneemt, dat hij zijn leven lang zeer kerks is gebleven met de bijzondere bevoorrechting steeds een plaats in de "politiebankskes" te hebben mogen innemen.
De gouden jubilaris van vandaag heeft in zijn jeugdjaren achtereenvolgen gewoond
bij:
" Gieltje van de Aker, Beukenhorst Esch;
" Driek Verbruggen, 't Bijltje Vught;
" Hermus van de Langenberg, de Hengstenboer in Esch;
" Piet van de Meijden, De Ketting Boxtel;
" Marinus van de Aker, Harenseweg Esch en
" Graad van Houtum, Heult Boxtel.
Gedurende bijna 4 jaren was hij in militaire dienst ('14-18') en bij de
cavalerie gelegerd in Haarlem, Millingen Amersfoort, Utrecht, Z. Vlaanderen,
Rotterdam. "Aki" was zeer populair onder het paardenvolk, evenals zijn maat de
circusclown Stein. Als stalknechten ("drollenrapers") lieten zij eens 300
paarden los uit de manege. Dat veroorzaakte een geweldige verkeerschaos, veel
opschudding in het kamp en toch geen strafmaatregelen tegen "Aki", evenmin als
bij de haversmokkel.
Jarenlang werkte de huidige jubilaris bij "Piet uit de Ketting" en wel als
voerman samen met o.a. Frans Ven, Tinuske Poirters, Janus van de Nostrum en Toon
van Oers.
Er werden drie paarden voor de mallejan gebruikt maar ook met enkele pony's en
een muilezel moest men zonodig "te veld" er werd voor verre vrachten verschot
gegeven voor 3 of 4 keer aanleggen maar dat was in de praktijk meestal te weinig
zodat nog wel eens houtruil voor het verteer moest plaatsvinden.
Bij een val van de hooizolder belandde voerman Doruske met zijn "bats" in een
hooivork en als er toe geen dokter Hoek was geweest hadden nu nog de weerhaken
in een van zijn billen gezeten.
Opgemerkt moet worden, dat Piet van de Meijden een strenge maar toch
gewaardeerde baas was en dat Moetje (de grootste baas) Doruske heel speciaal een
goed hart toedroeg. Zij stelde in hem veel vertrouwen. In het kastje bij zijn
bed op de opkamer mocht hij een revolver bewaren om zonodig zaak en familie te
verdedigen.
Na de militaire dienst ging hij werken aan de afbraak van de Halsche Barrier. In
die buurt leerde hij zijn toekomstige vrouw kennen. Vanwege het eventuele
huwelijk zei hij aannemer Joop van Dijk uit Esch vaarwel en zocht vast werk bij
de N.S.

Carolina van den den Aker-Verhoeven, geboren op 19 Februari 1900 te Oss als een
van de 7 kinderen uit het huwelijk van Johannes Conradus Verhoeven en Johanna
Verhoeven -v.Donzel, woonachtig destijds op "De Witte Hoef". (Deze ouderlijke
woning bestaat thans nog, maar is geen lang leven meer beschoren aangezien de
dynamisch groeiende stad Oss met haar uitbreidingsplannen dit agrarische Osse
uithoekje al dicht genaderd is.)
Lientje moest na de lagere schooltijd gaan "dienen", helemaal in Duitsland waar in het bij Kevelaar gelegen plaatsje Nijkerk een boer gevonden werd die wel een Hollands "durske" kon gebruiken, dat zowel op het land als in de schuren en stallen en in het huis toonde van aanpakken te weten.
Het was daar in Duitsland werken van de vroege morgen tot de late avond voor weinig centen, schrale kost en geringe dankbaarheid zoals men dat in die tijd trouwens niet anders gewend was. Als er op Zondag ooit eens een "peperkoekske" op tafel kwam, dan werd dat als een even groot feest beschouwd als de gouden bruiloft van vandaag.
Op 17-jarige leeftijd keerde Lientje Verhoeven Duitsland de rug toe en daar was ze niet rouwig om, al weten we dat ze mede daardoor van alle markten thuis is geworden en in haar latere eigen huishouden uitstekend alles en nog wat zelfstandig wist te beredderen; ze kon alle boerderij-karweitjes de baas, kon brood blikken, kon de slacht verwerken tot allerhande smakelijke gerechten zoals zult, kaaien, balkenbrij, worst, ham, spek enz., kon met het fornuis als de beste uit de weg, kon op de naaimachine hemden, lijfkes en broeken van elk model maken, kon de grootste gaten in de sokken dicht krijgen en kon zelfs een huis van onder tot boven opnieuw in de verf zetten. Om over haar vermogen tot een sterk financieel beheer nog maar te zwijgen.
Aan die veelzijdige huishoudelijke opleiding heeft ook haar tijd in het drukke "gedoentje" van vader en moeder Verhoeven zeker veel bijgedragen. Trouwens. ook haar werkzaamheden bij Giel van den Aker op Hal (tussen Boxtel en Esch) vormden een flinke inbreng tot haar vroege bekwaamheid om zelfstandig een druk huishouden en wel drie of vier zaken (café, boerderij, melkhandel, snoepwinkel) te beredderen.
Toen ze bij Giel v.v.Aker werkte, waren haar ouders gaan wonen in het Wilhelminapark. Vandaar gingen ze op Zondag nog wel eens te voet naar Den Bosch (als ze dik in de centen zaten stapten ze bij Voorburg op de tram) om in de Brabantse hoofdstad een foto te laten maken uitgedost met de grote poffer, de weinige sieraden en met de enige maar werkelijk schitterende zondagse japon leverde dat een resultaat op om gerust aan iedere jongeman in de buurt getoond te mogen worden.
Een van die jongelui was ene Dorus van den Aker. En....die had wel oog voor zo'n "pronte meid"!
De St. Petruskerk te Boxtel die stoere wachter in deze Brabantse Baronie, was de plaats waar op 29 April 1920 het huwelijk van Dorus v.d. Aker en Lien Verhoeven werd ingezegend.
Verwacht echter niet, dat dit gebeuren werd aangekondigd door sonoor klokgelui
uit de kloeke toren. En ook niet, dat wijlen deken Spierings zijn beste
koorleden, zoals Mol v.d. Ven, Lowieke v.d. Eerden en Bakker v.d. Vliert had
opgecommandeerd voor een stemmige opluistering.
Dergelijke plechtigheden waren toen niet gebruikelijk voor lieden van eenvoudige stand zoals dit tweetal.
Neen, tijdens een "Stil Miske" werd het huwelijkspaar op een gegeven moment gevraagd" van de bescheiden plaats achter in het Huis Gods naar voren te komen, samen met nog twee mensenkoppels die elkaar trouw voor het leven wilden gaan beloven.
Zo begon het dus, in alle eenvoud.
Maar....eenvoud is het kenmerk van het ware, daarvan is het bewijs in de afgelopen vijftig jaren geleverd tot geluk van de kinderen en tot eer en glorie van hen zelf. Eer en glorie die in 1920 ontbraken, maar die alle getuigen van dit gouden huwelijksjubileum het levensduo Th. v.d. Aker / C.v.d.Aker-Verhoeven nu graag in de welverdiende mate zullen willen toekennen.
Voor de tocht naar de kerk en weer naar huis stonden geen witte koetsen gereed, zelfs niet één rijtuigje van simpele makelij. Welneen, zo'n eindje (!) kon men wel te voet. En bovendien, waar zou al die poppenkast voor nodig zijn ? Belangstelling van publieke zijde was er niet, zelfs de familie ontbrak nagenoeg volledig.
De broers en zwagers hadden te werken en wat zou er trouwens te
feesten vallen. Nu ja, als je zo deftig gekleed - bruid getooid met de Brabantse
witte muts als pronkstuk van het zwarte bruidstoilet en de bruidegom in zwart
lakens pak met nieuwe pet - over de Bosscheweg heen stapt, dan hoort het er toch
wel bij om ergens aan te leggen en te drinken op "de goeie afloop".
En zo gebeurde dat bij De Ketting, al ging het met de rondjes wel kalm aan.
Thuis werd het feest voortgezet met "betozzie" van iets vetter soort dan men anders gewend was. Op de borrel moest men wachten tot 's avonds maar het was al een feest op zich, dat men die dag niet hoefde te werken.....
Voor dat laatste was niet veel méér nodig dan een bedstee die tevens diende als bergkast van groot formaat, Aan de achterkant van de rij huiskes was een gemeenschappelijke "geut" waar drie gezinnen gelegenheid hadden om de (af)was te doen.
Een van de buren was broer Kees van den Aker die het met zijn vrouw Marie Renders via enkele verhuizingen hogerop zocht in De Oude Ketting. Van de twee huiskes werd er toen één gemaakt. Dat was hard nodig, want op dit adres werd behalve zoon Piet ook dochter Jo geboren.
Een huis voor het leven was dit echter niet.
Zeker niet voor iemand die aan "Het Spoor" was, Dat vond ook Moetje uit De Ketting, waar vader v.d. Aker nog wel eens zijn borrelt je ging pakken, ook al was hij dan vroeger door Piet uit De Ketting vanwege een te luie bui van de hooizolder midden in een berg haver gekwakt wat tevens tot vrijwillig ontslag had geleid.
Neen, er bestond nog hartelijke vriendschap met de fam v.d. Meijden. En zo kon het dan ook gebeuren, dat vader v.d. Aker met de nogal vermogende Piet uit de Ketting durfde bepraten, dat hij zo graag een in Vught te koop staande PNEM-directiekeet naar Boxtel zou willen halen om daarin met zijn gezin intrek te nemen. De ping-ping had hij echter niet.
Piet aarzelde, maar Moetje zei resoluut: "Gij koopt dat ding van de PNEM, dan heeft "onze jongen" tenminste iets wat ge een huis kunt noemen!" Een woord van Moetje was wet en dus ging vader v.d. Aker bij Piet uit De Ketting achterop diens stoomfiets (zonder bagagedrager) naar Vught om de koop en de overplaatsing te regelen.
Het houten geval kreeg een plaats op de houtwerf van v, d. Heijden.
Zelf bouwde men er een keuken aan en klaar was de "bungalow", die men nederigheidshalve tot de dag van vandaag (want het ding staat er nog en wordt
ook nog bewoond!) "de planken keet" placht te noemen.
Daar werd het derde kind geboren, ons Riet, waar de toen nog meer gebruikelijke naam "Mietje" aan werd gegeven, Zo'n houten woning was uiteraard nogal gehorig. Bij onweer b.v. leek het wel alsof de wereld verging. "Moeder, heurt.. .boemejene!" riep de kleinste dan angstig uit. Wel, ze zijn er, toen "nummer vier" op koost was, zo vlug als kon uitgeboemejened. Op naar een "eigen huis"!
Een baan met houvast voor even maar met een pensioen(tje) voor
Op het goede spoor was
vader v.d. Aker toen hij het besluit had genomen bij de N.S. te gaan werken.
Dat bood uitzicht op vast werk en zelfs een pensioen veel meer dus dan het
voermannen, het boeren en het karweien bij aannemertjes die toen van de ene dag
op de andere failliet konden gaan. Neen aan het Spoor was heel wat beter.
Het gaf vader v.d. Aker durf om eens uit te zien naar een eigen huisje. Met een
vast inkomen moest dat te financieren zijn vond hij. Moeder v.d. Aker keek daar,
met bijna vier bloeikes van kinderen, zorgelijker tegenaan.
Maar Dorus die van los remmer in vaste dienst bij de overlading was gekomen, praatte alle bedenkingen weg. "Ge moet iets durven riskeren", was zijn standpunt. Dat heeft hij later nog meerdere keren herhaald. En het heeft hem waarachtig geen windeieren gelegd.
Om nog even bij de N.S. te blijven, de jubilaris van vandaag heeft er een boeiende tijd beleefd. Boxtel stond toen nog bekend als een belangrijk knooppunt van spoorwegen. Tot de goede naam die Boxtel als spoorwegcentrum genoot, heeft vader v.d. Aker zeker wel wat bijgedragen, want als hij eenmaal aan het werken was geslagen, kon bij, hoe klein ook bergen werk verzetten.
Hij was echter ook een levensblije figuur en daardoor kwam het spoorwegknooppunt Boxtel ook nog wel eens in de knoop. Er waren veel herbergen in de buurt van het Boxtelse station en de klokken liepen daar meestal achter, zodat het overnemen van de dienst nog wel eens moeilijkheden gaf als niet de goede collega op "aflossing van de wacht" stond té springen.
Het werk van losse remmers was op verre reizen bovendien erg eentonig. En daarom nam men nogal eens de gelegenheid te baat om b.v. de treinen op het Duitse lijntje af en toe een ogenblik in de steek te laten bij het tussentijds laden of lossen en bij de kroegskes langs de lijn stoom af te blazen.
Het is bekend, dat daardoor de Boxtelse remmer Toon.W, in een slaperige positie geraakte en op het moment van remmen zelf juist alle remmen los had gegooid en rustig snurkend het aan hem toevertrouwde stel wagons lustig op de andere liet knallen. Als men na zo'n reis in Boxtel terug kwam was men niet altijd meer in staat voor elk ding en iedere persoon de juiste naam te vinden.
Beroemd is b.v.
de vraag bij een thuiskomst aan de heer v.d.Krabben, een der hoogste opzichters:
"Mijnheer v.d. Rem valt er morgen bij U nog wat te krabben?.
Het werk bij de overlading was een verantwoordelijk karwei, vooral in die
crisisjaren toen de doorkomende vrachten vaak zeer gewilde waren bevatten. Maar
bet moet gezegd worden, overlader v.d. Aker kende zijn plicht.
Het heeft er eens dreigend voor hem uitgezien toen een kolossale mandfles Schiedam-jenever die door hem in een wagon was geladen en volgens voorschrift voor vallen en breken behoed door het gevaarte aan de daarvoor bestemde wandringen te verankeren, bij aankomst op de plaats van bestemming toch verdwenen was.
Zijn baas durfde voor de eerlijkheid van Doruske v.d. Aker echter de hand in het vuur te steken. Niet ten onrechte zoals later bleek, want de mandfles was onderweg uit de wagon in een spoorsloot gewipt door iemand voor wie het toen "brommen" geblazen was.
Vader v.d. Aker zei op zekere dag stationchef Senden (brrr!) toch goedag, want hij had grote plannen !
Rustig achteraf, is wel wat veel gezegd, van het huiske, dat men van Marinus ov. Esch gekocht had., toen men het leven in "de planken keet" moe was.
In het stukske Onrooi, naast
Driek en Helleke v.d.Sande, was het inderdaad een afgelegen hoekje waar slechts
weinig mensen kwamen, maar altijd rustig.....?
Zo tussen Onrooi' en de Nieuwstraat zat men midden tussen "goei mar rauw volk" en daarvan kwamen 's avonds nog wel eens aangeschoten exemplaren op de deur of op de vensters bonsen, wat moeder v.d. Aker de schrik om het hart deed slaan als "ons vadder" toevallig late dienst had.
Maar overigens bood dit door iedereen van de familie "'t Aauw Huske" genoemde woninkje veel mogelijkheden. Er waren een heel grote woonkeuken en een flinke kamer met twee bedsteeen erin. Beneden was er bovendien een kelder waarin met droog weer veel opgeborgen kon worden maar waarin bij hoog water de kikvorsen rond sprongen.
Boven was er een flink zolderke, waar de twee dochters in het
ijzeren ledikantje sliepen. In de bedstee beneden werd geprobeerd Piet en Harrie
stil te houden. En Thé lag in de ijzeren schommelwieg te blèren.
Er stonden een stal, schuur en hooiberg bij deze woning en er lag een
behoorlijke lap grond bij, dus kon er geboerd worden. En dat gebeurde zo hard
het maar kon. Met drie koeien, een paar kalveren, varkens en een geit en
natuurlijk ook kippen. Bovendien was er 'n kleine "bogerd" bij met fruitbomen
van allerhand soort, met. "bizzeme- en kroezelbossen" en een palmbos waarvan de
"wijwatertakskes"- het moet gezegd - in mindere mate geplukt werden dan de
appels, peren en pruimen, hoe groen ze ook waren.
Maar daar was de excentrieke w.c. (lees: plee; denk ton) goed voor. In dit
stukje Onrooi kreeg men toendertijd vaak te maken met wateroverlast. De Dommel
trad bijna jaarlijks buiten haar oevers en zette dan grote delen van Boxtel
blank. Dan moest ook 't aauw huske afgedamd worden, werd vader v.d. Aker
ingelijfd bij de vrijwillige dijkwacht, gingen de oudsten vlotten bouwen om door
het water te kunnen roeien en moest men ook over de Nieuwstraat om naar de kerk.
Alleen vader v.d. Aker ging altijd door Onrooi, al was het alleen maar om te kijken hoe ze het bij Den Hobbel met het caféwezen in al die nattigheid maakten. Over de buren van destijds niets dan goeds. Driek en Nelleke v.d.Sande waren de goeiigheid in persoon en het jongvolk was allemaal even plezierig van aard. Iedereen van de v.d. Akers ging er 's zondags graag het Familieblad halen, want dan viel er wel eens wat af.
Ze hadden veel met moeder v.d. Aker op en Driek de kerkmeester koesterde blijkbaar altijd nog de hoop dat hij vader v.d. Aker met zijn prachtige stem bij het St Petrus-kerkkoor kon krijgen.
Maar de liedjes die deze bij Den Hobbel en bij Sjef van Son zong, stonden niet op het koorrepertoire. Dat is nooit iets geworden. Wel echter het stoute plan om in wat sneller tempo uit het sobere, zo niet armoedige leventje van die jaren te geraken. . . . . . .
Over Den Haagakker heen had het echtpaar v.d. Aker - Verhoeven al dikwijls in de richting van de Nieuwstraat getuurd.
Men wist daar in de "bocht bij de nieuwe huizen van Jan v.d. Lievenoogen, recht tegenover de Koolakkers, ene schone plak grond liggen. Daar zou best een goed lopende herberg met boerderij op gebouwd kunnen worden.
"Zouwen we wel?"", peinsde ons moeder. "Altèd doen!", zei ons vadder.
De plannen werden werkelijkheid. Friedje v.d.Braak, tekenaar in gemeentedienst, werd de architect en aannemer v. Geffen met zijn mannen zetten het voor die dagen zeer gedurfde project er in 1931 neer.
De ingebruikneming droeg een enigszins feestelijk karakter. Giel Maas en Stop
Voets kwamen in het wasfornuis mosselen koken die 's avonds in flinke porties
gratis aan de klanten werden uitgereikt.
Toontje en Driek v.d.Langenberg kwamen oberen en dat was wel nodig, want er was
heel wat volk op komen dagen om zich ene forse pot bier van 12 cent of een glas
bier van 10 cent, dan wel een schilletje of boerejongen in hele series te laten
inschenken.
Het was een gezellige boel,waartoe de fam. v. Meersbergen (komiek Willen de
Miers aan het hoofd) veel bijdroeg.
Een goei café.
Het werd zogezegd echt "'n goei café" en daarom mocht er later nog wel een
snoeptrommel en een cigarettenkast bijkomen, terwijl bij feestelijke
gelegenheden Nierke v.d.Langenberg steevast zijn ijscokarreke voor de deur zette
vanwege de gulle tractaties van de herberggasten (Frans Kerkhof uitgezonderd,
want die lokte Nierke het café in om zelf met de soeplepel het karretje leeg te
gaan scheppen voor iedereen die wel van zo'n lekkere grap hield).
't Klaverblad heette het café naar de nabijgelegen boerderij en de buurtschap ia
; deze hoek van de Nieuwstraat. 't Klaverblad heeft nooit één dor blaadje
gekend. Er is altijd enorm veel volksleven in alle schakeringen van lief en leed
waar te nemen geweest en vooral het verenigingsleven kende er de jaren door een
bloeiend bestaan.
Menigeen herinnert zich de rumoerige tijd van voetbalclub S.D.O., die achter op
de wei onder leiding van Toon de Koning trachtte alle andere Boxtelse
voetbalteams of soms zelfs van ver daarbuiten te weerstaan. De spelers mochten
zich "op stal" omkleden of als het moest ook wel in "de kamer", waar onder de
rust tevens thee werd gedronken.
Het enige nadeel van deze activiteit was, dat de kippen van de leg raakten omdat menig afstandschot door de ruiten heen in de nesten van de overigens toch wel productieve pluimveestapel belandden. In zo'n week hoefde moeder v.d. Aker vrijdags niet met de korf naar de "mèrt" om er met enkele tientallen eieren weer een guldentje of wat voor de hypotheekaflossing te sparen.
Vrolijk bij elkander
Vrolijk bij elkander heette de kaartclub die in dit café thuis was.
Een toepasselijke naam behalve
als er vals geroemd, werd, maar dan was er altijd "ons vadder" nog om de
heetgebakerde ruziezoekers naar "buiten te loodsen.
Er waren vele concoursen in die tijd met tientallen clubs welke hun beste viertallen inzetten voor de prijzen die werden toegekend door de jury.
Deze zetelde dan altijd"op de opkamer".Als er onenigheid was over te toekenning van de prijs voor het verst komend gezelschap moest "meester v. Helmond" bepalen wie aardrijkskundig in het gelijk stond.
Een tijd lang was er ook een goede biljartclub, waarop het langst in heel Boxtel eveneens gebarakt is. Voor leden die het nooit leerden, zoals Frans Kerkhof, was er de "biljaartjèns", een soort bumperspel.
Van Café D'n Hogen Hak (v. Maaren) kwam Pol. Hondenver. "De Wacht in'het Veld"
over. Voor de officiële wedstrijden werden dan zelfs geluidsinstallaties
aangelegd met alle gevaren van dien voor de brandbare inhoud van "d'n hooiberg".
Later werd ook Kruisboogver. "Moed en Strijd" hier heropgericht. Het was al
meteen een drukke rozen schieterij in "d'n hof" met Koos Pastoor als eerste
koning-schutter. Hij werd het jaar daarop koning~af toen hij vergeten was op
tijd bij "ons Drieka" te gaan eten en de eerste de beste pijl in de appelboom
liet belanden.
Geen goede Brabantse herberg zonder Dubbeltjespot en die was er dus ook een in
't Klaverblad Spaarkas "De Voorzorg", bedoeld als appeltje voor de dorst met de
kermis.
Het was trouwens nogal gauw kermis in dit café. Jukeboxen waren niet nodig. Men had altijd wel iemand in het gezelschap met een harmonica voor begeleiding van de zang, die vrolijker werd naar mate het aantal potjes bier groeide en droeviger naar gelang de portemonnees leger werden en de maandagmorgen dichterbij kwam.
Succesnummers van het repertoire 1931-1960 waren o.a.:
't Was zomeravond na een grote hitte, Als men de wereld eens goed heeft bekeken,
Ik gong er lest 'ns op aut, Zo is Amsterdam bij nacht, En daar boven in den
hemel, Ach moeder, ach, Als een arme stumperd, Zo je ziet, zo je ziet, goed
stilstaan kan ik niet, Toen ik in dienst kwam was ik een boertje, En de kermis
is weer aangebroken, En dan gaan we vliegen, Ome Kootje, Zwaluw waarheen is uw
vlucht, Holderdebolder, Aan de oever van de Dommel, Ik heb een vogeltje gevangen
en het ziene kan nie bees, Vader Abraham was een goed man, Dan kijk je maar naar
boven, 't kost geen rooie cent, Er reed door de wolken een boer op zijn fiets,
Het kietelkietelkapiteintje, Er zat een leeuw in een net gevangen, Er was een
boerin in Bakel, In der Heimat, Helena, in 't prieeltje, Hij had een moord op
zijn geweten,
- Wie kent niet de zangers: Willem de Miers, Doruske Alberts, Harrie en Willem
Voets; Jan Maas, Dorus van Weert, Piet v.d.Aker, Christ Senders, Bart Brink,
Frans Bevers, Driek Langenhuizen, Frans Kerkhof, Pietje Maas (tegen de zin van
Toon Meijs), Jan Broek, Jo Schoot, Tieske Bakx en zelfs Marinus Hosewol (pommele,
pommele. gif me mar 'ne borrel).
In 1960 werd het cafébedrijf overgedragen aan dochter Jo en in 1970 is het opgeofferd aan de uitbreiding Boxtel-Oost.
Op verschillende plaatsen werden landdagen gehouden, ook op de wei achter café
v.d.Aker, waar dan vanaf een met weipalen in elkaar getimmerd spreekgestoelte
fors van leer werd getrokken tegen het groot-boerendom. Onder de pauze kon men
zich als lid opgeven bij Bultje Alberts, de secretaris.
Veldwachter V. Engeland was er altijd, bij om ordeverstoringen tegen te gaan,
maar alleen Willem Voets viel de sprekers nog wel eens in de rede: "Hee,
kletskop, worde nie goed Marinus?" Maar vurige Bouwman supporters als Marinuske
van Zon en Kees Rul maanden hem dan wel tot stilte.
Neen, al dat vreemd gedoe op de wei was niks gedaan. Ook dat "balvoeten" vroeger
niet, waarvoor de koeien moesten worden "over geschoord" en zoon Piet het veld
koestrontvrij moest maken. Het ergste volgens buurvrouw Leen Vervoort "was
echter nog wel, dat die jongens daar in die "schandalig korte bruukskes" aan het
rondspollen waren in plaats van naar het Lof te gaan.
De stal.
De hierboven afgebeelde stal was het centrum van alle boerenbedrijvigheid die
men echter dankzij de timmervaardigheid (?) van vader v.d..Aker ook kon
bespeuren in, de "pèrdstal", de "hennenkooi", d'n "hooiberg", de "vèrkeskooi" en
de "karschop".
In de drukke tijd waren er heel wat knechts in losse dienst: Nierke, Driek
Langen-huizen, Harrie Steen, Driekske v. Griensven, Toontje Lap, de v.d.Loo's,
Frans Kerkhof, allemaal "goei meiers en beinders", waarbij later dan nog de
"jong" van de La Salle en uit de buurt, loebes Danklof, het evacuantengezin van
Jaap en Gertlein, alsmede de schoonzoons Christ Senders en Piet v.d.Loo kwamen.
Het was een gemengd bedrijf met nu eens in hoofdzaak melkvee, dan kalvermesterij,
varkensteelt (met de keuken ooit als nachtelijke biggenkraamkamer),
kuikenbroederij, kippenhouderij- en gevarieerde landbouw met o.a. zelfs
suikerbieten en mais.
In de oorlog werd. het geboer illegaal bedreven in schuilhokken onder de
hooiberg. Die hooiberg en de schelft zijn jarenlang een soort "camping" voor
Allerhande zwervers - paria's van de maatschappij - geweest. Daar sliepen 't
Worstje, v. Gulik, v. Boxtel, het talenwonder Piet, Harrie Doeven en de Slamboer,
Gerrit (V.Hooff) was iemand apart in die groep. Dat was een "blijver" en die
hoefde ook zijn lucifers en mes nooit in te leveren. Gerrit was ook een "polieteling",
eerst een beetje Duits gezind maar later toch duidelijk voor de goeie zaak, ook
al uit angst: "Daar heb je ze weer die soezers!".
Zelf hebben vader en moeder v.d. Aker hard en nog heel lang gesjouwd voor hun boerderijke. Het boer zijn heeft "ons vadder" misschien toch nog ooit ook het leven gered omdat hij 's nachts bij een inval door Duitsers vanwege zijn groene broek en kiel voor "Soldat" werd aangezien, maar toch kon aantonen dat hij slechts "Bauer" was.
Goei melkkoeien
daar was veel aan gelegen voor de fam. v.d. Aker om de melkhandel winstgevend
te kunnen houden. Gemolken werd er door vader en moeder zelf, door Piet en Jo
ook, terwijl de rest wel eens werd ingeschakeld voor het vliegen jagen.
Zoon Piet maakte de start met dit 'bedrijfsonderdeel op zijn vrachtfiets met
plaats voor kannen, vóór en achter.
Later kwam er een sierlijk "römkarke", getrokken door meer of minder goei
hitten. Dat verhoogde zeer zeker de vervoerscapaciteit maar of men er sneller
door klaar was, mag betwijfeld worden.
"Ons vadder" had een uitgebreide wijk, die kris-kras door Boxtel leidde maar vooral door de volksbuurten. ledere hit wist na een week of twee waar hij stil moest staan. Bij de goei betalers maar eventjes, bij degenen die slecht afschoten wat langer en bij ere-klanten als De Leijer, Eranske v. d,Aker,- Kee den Hobbel, Jantje v.Trigt en de Steentjes extra lang. Dat was vanwege de nu deftig geheten "sociale verplichtingen"
Piet en ook Jo - altijd erbij om een schuw hitje over den overweg te leiden
-zorgden intussen dan toch nog wel, dat de ongeduldige klanten hun half litertje
"romme" of "mulluk" op tijd kregen. Het gebeurde trouwens ook'wel eens, dat er
een
rad van de wagen liep en dan was er de hele dag mee gemoeid. Harrie was gene
goeie om mee te nemen, want die ging op 't karreke zitten simmen als vader en
Piet wat lang weg bleven. Later, toen er een bakfiets (oorlog), met volbanden,
werd ingeschakeld, kon Thé in de vakantie dat ding wel trappen en anders had
schoonzoon Christ nog wel eens de tijd om dat te doen, waardoor "ons vadder"
meer tijd kreeg om "service" in da heilige huiskes te verlenen.
Toen de melksanering werd toegepast, deed men de ventvergunning maar van de
hand, tot groot genoegen van de kinderen v.d. Aker en ook moeder zelvers vanwege
al dat geplak met distributiebonnen, het geschuur van de kannen (met hetzelfde
zand als waarmee vroeger de vloeren van herberg en kamer versierd werden), het
gesjouw van die zware krengen van de put in de wei naar het "römhok", alsmede de
last met de C.C.D. (wat niet wegneemt, dat deftige klanten als meester V.Helmond
en gemeente-opzichter Giel v.Erp klandestien toch aan de zo schaars geworden
vitaminerijke koeiemelk werden geholpen).
Op 't romfabriek" werd Doruske v.d. Aker node gemist want hij wist altijd wel
wat leven in de brouwerij te brengen met zijn geplaag van de "mèskes" van
Kelders, zijn geschooi bij Klok van Loon om de volle maat, zijn ompraterij van
boterkletser Valks om wat "goei botter" voor meester v.Moorsel en andere'
bevoordeelden los te krijgen, zeker ook zijn handigheid om "d'n Dirk (Verhoeven)
te misleiden.
Het bezit van eigen melk leverde in de oorlog ook de kans op om in het grootste
geheim zelf te "botteren", eerst nog net de gewone karnkan maar later met een
botermachientje. Men is er ook toe gekomen om zelf kaas te maken. En de
voorraden "onderrome" waren maar wat goed om de klandestiene kalver mesterij tot
een florerende zaak te maken.
Volvette melk was ook goed voor het zelf bakken van witte boerenmik. Roggebrood maakte "ons vadder", waarvoor hij naar oud vakkundig gebruik met de blote voeten het deeg in de trog bakklaar maakte. Sinds hij een keer per abuis zijn tabakspruim niet naast maar in de trog had gelegd, was de zin in roggebrood over!
AOW en N.S. pensioentje
AOW en N.S. pensioentje kwamen in 1960 in het vooruitzicht en dat was reden voor
het echtpaar v. d.. Aker-Verhoeven om wat kalmer aan te doen.
Alle kinderen (ook benjamin Cis, het in 1937 geboren nakomertje) waren op hun
bestemming en waarom zouden ze zich dan nog zo druk blijven maken.
Dat hadden ze al genoeg gedaan, want o jee, wat is dit mensenleven vol
zorgelijke en inspannende activiteiten gestopt geworden.
Zo hebben we b.v. nog maar met een enkel woord gerept over de
oorlogswederwaardigheden. Zoon Piet bij de inval van de Duitsers al meteen in
moeilijkheden, later gedeporteerd en te werk gesteld in Duitsland en weer later
ondergedoken. Het café de jaren door een gewild adres voor inkwartieringen,
zelfs ten behoeve van de Moffen-staf wat prompt een granaten bombardement van de
geallieerden met flink wat schrik en schade voor de v.d,Akers opleverde.
Er moesten steeds meer geheime bergplaatsen gegraven worden om spullen van
waarde uit de handen van de bezetters te houden. En ten leste moest voortdurend
in de schuilkelder geleefd worden en werd men zelfs gedwongen veiligheidshalve
uit te wijken naar "Ome Kees en Tante Cis" bij de Witte Zusters.
En dan dat trubbelige caféleven.
Voor de kinderen wel leuk en aardig toen de komst van Floris Corsten, de snoep
grossier, weer uitzicht bood op avond aan avond heerlijke snoepuurtjes in bed.
Maar voor moeder v.d. Aker allemaal extra geren zonder dat er een cent aan
verdiend werd op die manier. En dan de vergunningsmoeilijkheden in het begin.
De sterke drank werd na elk stiekum getapt borreltje weer opgeborgen onder de
geheime vloerluiken, bedekt met oude matten. Bij een der huiszoekingen naar het
"verboden goedje" lag die mat er echter niet. "Ons moeder" redde toen de
situatie door haar stoel op het luik te plaatsen, de kleine aan de borst te
leggen en te zeggen""Ge zuukt mar overal, mar ik moet wel deur gaon...."*
En dan al dat boterhammen-gesmeer voor de klanten die 's avonds met 'n stuk in
de kraag "zo gère" zult of gebakken spek hadden. Neen, Harrie de Visser, d'n
ouwe Rooyakkers, de Leijer, Caers en al die andere leveranciers hadden aan
Doruske en Lien genoeg verdiend. Zelf hadden ze het ook niet slecht gemaakt,
maar stelt U voor, dat er na laaienlichter Harrieke Tippeldebie nog eens iemand
een grotere slag zou willen slaan.
Uit het café dus, nadat onder leiding van Harrie Voets, goeie vrienden als
Franske Bergman en de zijnen van het rom- en washok en de pèrdskooi een
gezellige, knusse woning op eigen grond gebouwd hadden.
En het werd er rustig.
Overdag hadden vader en moeder het nog druk met de boerderij liefhebberijen. Als er bekende klanten in de door Jo en Christ overgenomen zaak waren, gingen ze graag nog eens een boomke katten, maar 's avonds niet, want dan was er alleen maar aandacht voor de televisie.
En op de zondagmiddagen was het stuif-in voor de kinderen en kleinkinderen of ook wel voor de "ouwe getrouwen" die het niet konden laten om nog eventjes door te lopen naar achteren om Lien en haar familie te trakteren op ijsco's of kwatta's en ondertussen Doruske mee "naor vurre" te lokken.
Voor Willem Voets is het altijd een "stil kroeg" gebleven althans in de vroege morgenuren als alle kasteleins nog sliepen maar Doruske al lang uit de veren was, zoals hij dat altijd gewend is geweest.
Vroeger was dat er nooit van gekomen. Nu ja, 'n enkele keer op de fiets naar Cromvoirt (grootvader en grootmoeder), op de hoogkar mee ter beevaart naar Oirschot, met 't romkarreke naar Nel Kerkhof in Rooi of Greut v.Rixtel in Schijndel, in de oorlog naar Amsterdam om in de "zwarte 'buurt" wat te gaan sjacheren en voor de rest hoogstens 'ne keer naar Gemonde kermis.
Nu gingen ze samen naar Beauraing, naar de Efteling, naar Kevelaer zelfs, naar Vught en Oss, naar Eindhoven en Den Bosch voor de familie, vooral ook naar Doorwerth met de aanvankelijk nog gammele auto's van schoonzoon Henk. Maar daar had "ons vadder" het niet op begrepen
* Tegen de steile hellingen deed hij het
wel te voet*
Hij kocht trouwens maar een brommertje, in de gedachte kennelijk om precies als Harrie en Willem Voets voortaan met zo'n plofding mee naar het Gelderse te reizen* Geleidelijk aan verminderde echter de reislust en bleven de tochten naar elders beperkt tot wat "toeren" met de wagens van zoons en schoonzoons door de omgeving van Boxtel en slechts bij uitzondering een eindje verder Brabant in.
Dat kwam ook al, omdat ze het werken toch niet konden laten. Moeder v.d. Aker
bleef zich maar druk maken met de kalvermesterij en het links en rechts gaan
helpen bij dochters of schoondochters die het volgens haar te trubbelig hadden.
Ze bleef ook liefhebberen in het op schilderen van de eigen woning en samen met
"meesterknecht Jo" bijna ieder jaar het gehele café.
Vader v.d. Aker zag plotseling brood in de houtverkoop. Schotten van kolossale autokisten bleken aanvankelijk erg in trek bij boeren die er kippenkooien van bouwden en burgers die er grote duiventillen en dergelijke van maakten. Houtwerf v.d. Aker werd voller en voller en vader v.d. Aker handelde, dat het een lust was.
Intussen zocht hij zelf de beste exemplaren uit om bij alle opstallen nog
een stuk of drie "schoppen" te bouwen, kippenkooien te vernieuwen, de
"hekkengaten" in de weien nog degelijker en zwaarder te maken.
Op kosten van de groothandelaar plaatste hij advertenties in Brabants Centrum en dat verhoogde heel even nog de omzet, maar toen kwam er de klad in. Bovendien werd Piet v.d.Pasch als sloper een geduchte concurrent en dus-deelde hij tenslotte de planken, ribben etc. maar uit onder de geïnteresseerde eigen familie.
Bijna 30 jaar
Bijna 30 jaar had het echtpaar
café 't Klaverblad gedreven in de Nieuwstraat. Men had er de zilveren 'bruiloft
gevierd, bijna tegelijk met de nationale "bevrijding, maar toch nog onder
moeilijke tijdsomstandigheden.
De veiligheid was maar betrekkelijk: denk maar aan het over vliegen van de V-1's
en V-2's. Bovendien was er schaarste aan zowat alles. Men leefde "op de bon".
Desondanks was er toch een goed bruiloftsfeest, want men had van alles aan drank
en spullen voor "brood en gebak opgespaard. Geheim voor iedereen was ook het vet
mesten van een geitebok geweest.
Wat is er die dag door de gasten veel en mm... heerlijk.... vlees gegeten.
Ook
de 40-jarige bruiloft was nog in het café gevierd, met een televisierevue van de
afgelopen tijd en veel aanvullende komiekerij door de kinderen, familieleden en
buurtgenoten.
De schare kleinkinderen was toen al zo groot, dat er een aparte middag voor werd
uitgetrokken. En toen ging men dus, zoals eerder werd gememoreerd, rustig wonen
in de "bedrijfswoning" opzij achter de vroegere huizing.
Zo heel rustig was dat echter ook niet lang, want al spoedig werd duidelijk, i
dat het gemeentebestuur de nieuwe uitbreidingsplannen tot ver in het oostelijke
deel van het dorp wilde gaan verwezenlijken.
Jaar na jaar werd duidelijker, dat eens de tijd van verhuizen zou komen. Met die
vooruitzichten ging men de boerderij activiteiten geleidelijk aan al wat
verminderen. Maar de gedachte aan het ééns definitief moeten verlaten van de
buurtschap waarin men de beste jaren van het leven gesleten had, knaagde toch
heimelijk aan het gemoed van Lien en Doruske.
ledere zondag opnieuw werd er tijdens de familiale bijeenkomsten in het
ouderlijk" huis gespeculeerd over de toekomstkansen. "Wanneer denkte, dé ze
zullen kommen van de geminte?", luidde telkens weer',de vraag van vader. "En we
zullen ze biejen?' "Hèdde al iets gebeurd of dé v.Boxtel, Karel v.Breugel en
Vugje al un bod gehad hebben?"
"Wanneer zullen ze hier echt aon 't bouwen gaon?" Dat werd op een goede dag
duidelijk, toen de papieren van het gemeentehuis afkwamen en eventjes heel de
buurt in rep en roer kwam om het aanbod van een stel makelaars uit "d'n vrimde"
in een vergadering/' belegd in café 't Klaverblad te bespreken. Enfin, na veel
onderling overleg en lang wikken en wegen kwam de transactie toch tot stand, met
de bepaling, dat op 1 Januari 1969 de woning(en) vrij moesten zijn voor
eventuele afbraak.
Vooral toen dat bekend werd ging er heel wat om in de hoofden van de v.d. Akers.
Moeder ging al druk aan het uitkijken naar een andere woning, onverschillig waar
in de gemeente. Als ze er maar rustig zou kunnen leven, was het haar al lang
goed, zei ze. Maar vader v.d. Aker kon nog maar moeilijk accepteren, dat hij
eens voor goed uit die buurt weg zou moeten. Steeds vaker dwaalde hij over de
landerijen waar bulldozers en draglines voor bouwrijpe grond gingen zorgen en
waar al gauw recht tegenover het café de allereerste huizen verrezen.
En toen kwamen plotseling ook de torenflats, "Nooit op un flèt en nooit in un
rij", zei vader tegen zijn vrouw, tegen de kinderen, tegen zijn kennissen en
tegen al de opzichters en werkers waar hij heel goede vrienden mee was.
"Misschien laten ze dé van ons toch wel staon", veronderstelde hij zelfs. Hij
informeerde daar waarachtig naar bij de hoofdambtenaren van de gemeente, bij wie
hij in die dagen "kind in huis" was. Maar neen hoor, men zou en moest
maatregelen treffen om elders terecht te kunnen. Maar waar?
Huizen genoeg bleken er te koop. Elke aankondiging van een publieke verkoop gaf
aanleiding tot dagenlang beraad. En ieder gerucht, dat hier of daar spoedig een
huisje vrij zou konen werd op de waarheid getoetst. Nu en dan leek het er
eventjes op, dat een beslissing nabij was. Het was ook zo moeilijk. Moeder sliep
er ooit nachten niet van. Maar als alles in kannen en kruiken scheen, dan liet
vader het plotseling "afweten".
Op de Langenberg: veel te ver van alles af. In Esch een te dooi dorp. Op de Kalksheuvel: nooit in een rij. In Lennisheuvel te duur en pal tegen de harde weg. Op d'n Ossepad: ik ben gek, midden in dorp.
De verhuizing.
Tenslotte dook in het brein van moeder het idee op om in het ooit zelf gekochte huiske in Lennisheuvel te gaan wonen. Dat lag mooi vrij, midden in het veld, aan 't kerkpad. Het was wel een krot, maar dat zou best zó verbouwd kunnen worden, dat er uitstekend in te huizen viel.
Volgens ons vader, was dat verbouwen niet eens nodig, maar moeder besprak die
plannen uitgebreid met de kinderen en met een stelletje bouwvakkers. Ze begon
toen zelf voor architect te spelen. Dit wilde ze zus en dat wilde ze zó
veranderd hebben.
Vader begon er ook plezier in te
krijgen. 's Morgens voor zes uur toog hij al op pad om de rommel op te ruimen,
die de bouwers 's avonds achter gelaten hadden en om voor de volgende
karwei-avond het nieuwe materiaal klaar te leggen.
Hij bleef dan ook als opperman in touw en ging bij"ons Cis" in café o Kerkzicht te Lennisheuvel tussendoor wat flessen bier halen om de animo erin te houden bij de bouwvakkersploeg.
Moeder was altijd in de buurt om instructies te geven en de aankoop van al wat nodig was te regelen. Daar bemoeide "ons vadder" zich niet mee. Als ze hem daar iets over vroegen, was steevast zijn antwoord: "Dé moete mar aon d'n arsjitekt vraogen, ons moeder".
Tegen December 1968 kwam het huiske klaar" een pronkstukske qua interieurverandering en van buiten zo mooi, dat het model kon staan voor de latere verandering van de aangebouwde andere woning. Moeder had in nauwe samenspraak met dochters en schoondochters voor prachtige nieuwe meubels en andere spulletjes gezorgd.
Vader was er zich voor gaan inspannen, dat de weg vanaf de Armehoefstraat
verhard zou worden. Hij bezocht de directeur van gemeentewerken P.v.d. Ven ing,
de chef van wegen werken A. Louman en de hoofdopzichter A. Hol verschillende
keren per week om hen te bewegen tot deze voorziening. En die is er gekomen.
Alleen pas geruime tijd na de overhuizing van de Nieuwstraat naar Lennisheuvel....
Met de personenauto's van de familie werd het kleine spul vervoerd.(Moeder nam
bij elk ritje per fiets trouwens ook altijd wel wat mee in haar fietstaske.)
Voor de grote hoop moest Evert Timmermans inspannen. Vader v.d. Aker had hem op
de afgesproken dag al vroeg uit zijn bed getrommeld en reed naderhand nog wel
drie keer de richting Brukelen in om te kijken waar ie toch wel bleef: "We ha'n
al lang un vracht weg kunnen hebben...". Maar de verhuizing verliep toch volgens
plan.
Met het Sinterklaasfeest 1968 woonden ze er. En ze waren er gelukkig mee, ze
vonden het allebei "een cadeau voor het leven"!
Toch druk hadden ze het in hun
nieuwe huiske te Lennisheuvel. Moeder had nog van alles bij te prutsen, want ze
had het graag "schön". Soms kon ze het niet laten om toch nog maar eens te gaan
helpen bij de een of de ander in de familie. En af en toe fietsten ze samen wel
eens naar de ouwe buurt of een of ander "heilig huiske".
Maar vader had daar meestal niet veel tijd voor. Hij had het 's morgens al druk
met boodschappen doen bij Kees de Jong (en omgeving). De zaken op het
postkantoor en de boerenleenbank, op het gemeentehuis en op het bureau
gemeentewerken namen veel tijd in beslag. Bovendien had hij nog diverse bouw- en
tuinieropdrachten bij zoons en schoonzoons.
Het liefst van alles werkte hij echter aan de uitbreiding van de bergruimte van
de nieuwe woning in Lennisheuvel. De schuur zelf werd van stookgelegenheid
voorzien en van een vliering die goed beklommen en goed gebruikt kon worden. Er
kwam een apart fietsenhok (met kabouterdeurtje) bij, toen nog een houtloodsje en
later nog een kippenhok. Alles hecht doortimmerd met vele kilo's spijkers en tot
in de naden goed in de verf.
En dan had hij ook nog zijn zorg voor het onderhoud van de weg. Daarbij ging hij
zeer deskundig te werk, want in de Nieuwstraat had hij de laatste tijd veel
gepraat met "Tinuske van de weg" (opzichter nieuwe rijksweg) en gesteund door
die nieuwe kennis zorgde hij voor de aanleg van een parkeerterrein vóór de
woning, dichting van de gaten, afrastering, versteviging van de bermen enz. op
het met split verbeterde weggedeelte. Bovendien ging ook zijn zorg uit naar een
goede berijdbaarheid van het kerkpadje in de richting van het Industrieterrein.
Dokkie, diee goeie lobbes van een hond, was zijn trouwe metgezel, of het nu vroeg
of laat was, dicht bij of ver weg.
Verdere bezigheden? 's Avonds televisie kijken van het begin tot het eind.
Alleen op zondagmorgen en zondagavond eens een bezoekje aan de familiale café's
en slechts zelden gezamenlijk naar andere adressen of met de auto van deze of
die een eind toeren. Ze bleken het allebei best naar hun zin te hebben "op d'r
eigen". De familie kwam trouwens zelf wel op bezoek om met moeder van alles en
nog wat te bepraten terwijl vader met zijn kleinkinderen dezelfde plagerijen
bedreef die hij vroeger al niet kon laten te doen.
De laatste winterperiode duurde nog al lang naar de zin van vader v.d.Aker. Er
was zo weinig te doen. De krant lezen ja, maar die werd vanwege het slechte weer
dikwijls niet bezorgd. "Dan kan ik: dé zelluf wel doen", redeneerde hij. En
inderdaad besloot hij om iedere dag kilometers af te trappen on de bevolking 's
morgens in alle vroegte, ijs en weder dienende, de krant te bezorgen. Iedereen
stond.versteld de kippen waren nog niet van stok of de krant was er al.
Geen mens werd overgeslagen en Dokkie kende de adressen al even goed als zijn baas. Maar eigenlijk was het geen werk, ook niet voor een "jonge" 75-jarige. Slechthorigheid, vaak onberijdbare wegen en wie weet hier en daar het aanbod van wat hartversterkertjes voor de moeite.
Neen, na twee weken werd dit avontuur toch maar beëindigd.
Vijftig huwelijksjaren zijn voorbij gegaan
Het gewone leven heeft een
bekoring waarbij de schoonste kunstwerken in het niet vallen".
Zo heeft Jozef Israels eens gedicht. Wij brengen zijn woorden gaarne van
toepassing op de inhoud van de vijftig huwelijksjaren die wij nu herdenken, Er
is in die gouden halve eeuw altijd heel gewoon geleefd.
Tot dat gewone behoorden ook de menselijke misrekeningen en zwakheden die in het
hier opgetekende levensverhaal op slechts enkele plaatsen nauwelijks herkenbaar
zijn. Toch waren er tegenvallers en fouten.
Gelukkig omdat daaruit blijkt, dat we te doen hebben met mensen van vlees en
bloed. En gelukkig, ook, omdat daarnaast zó enorm veel goeds heeft gestaan, dat
al het andere daardoor ook is gaan behoren tot die éne grote levensles welke
deze gewone mensen in hun gewone leven op een buitengewone wijze aan hun
kinderen rebben meegegeven.
In die levensles domineren de hoofdstukken""werkzaamheid" -
"doorzettingsvermogen" - "bescheidenheid" - "hulpvaardigheid" - "blijmoedigheid"
-"onkreukbaarheid" - "goedheid" met een voortdurende belangstelling voor ieders
wel en wee.
Bent gerust, het wordt geen zaligverklaring. Het gouden paar zou dat met zijn
bezit aan zelfkennis en met de aangeboren afkeer van vleierij ook onmogelijk
maken.
Het is alleen maar bedoeld als een uiting van eerlijke dankbaarheid en oprechte bewondering en ook als een basis voor de wens van kinderen, klein- en achterkleinkinderen, alsmede van de vele goede vrienden en bekenden, dat het echtpaar ook na deze vijftig huwelijksjaren nog een lange gelukkige tijd van gezond en rustig leven volgens geheel eigen idee beschoren mag zijn.
Zo zij het !
Het familiewapen
De afbeelding van dit familiewapen is ontleend aan Rietstap's Araorial Qénéral,
i.v. Aker.
De juiste beschrijving ervan luidt als volgt: in rood. een gouden, groen
gestoelde en gebladerde eikel, vergezeld van drie gouden sterren boven de eikel,
vroeger ook wel aker geheten.
De aanwezigheid van de eikel is daarmee reeds verklaard, de versiering met eikebladeren was alleen maar toegestaan indien grootgrondbezit aangetoond kon morden, terwijl de sterren duiden op bezegeling met geluk van boven.
Onderstaand wapen blijkt te hebben toebehoord aan een in Haarlem gevestigde tak van een familie Van den Aker. Omdat deze familienaam in ons land relatief gezien weinig talrijk voorkomt, is een verband met de later in Brabant voorkomende families Van den Aker best mogelijk.
Gebleken is, dat ook een tweede wapen met de aanduiding "Acker" teruggebracht zou kannen worden tot de Brabantse familie Van den Aker. De beschrijving van dat wapen luidt: In zilver een rode keper, vergezeld van onderen van een rode ring. Helmteken: de ring. Dekkleden; rood en zilver.
Bronvermelding.